Vertalingen Écrits intimes Elsa Triolet - Fragmenten, Passages.

 

Journal 1912-1913

3 december 1913. (17 jaar)

 

Ik heb een vreselijk humeur. Het is waar dat ik het van tijd tot tijd kunstmatig als goed humeur in stand houd, maar het is toch wel heel moeilijk hoor. Soms vergeet ik alles, dan weer ben ik opgewekt, lach ik, dan weer klets ik en dan ineens, zomaar, dan word ik, door een woord dat ik hoor, teruggeworpen in mijn wanhopige uitzichtloosheid. De redenen daarvan lopen uiteen : ik ben me er van bewust dat ik slecht ben, abominabel slecht, ik ben woedend op mama die geen aandacht schenkt aan mijn geestelijke toestand, op Nadia, die zo net is met al haar zijde en kant dat ik ook zo graag wil hebben, op Lili, die zo knap is en onverschillig naar mij toe, op mijn mislukte jurk en duizend andere kleine dingetjes. Wat was ik triest in mijn hart gisteren, toen Nadia het over Liolia had. Ik buig voor Liolia, voor haar moeder die vroeger bemind werd door Tschechov, en voor hun vriendschap. Liolia kreeg het voor elkaar dat Chaoukine van haar ging houden, en zij was zelf ook verliefd op hem, en toch heeft ze volgehouden hem te weerstaan, zij kreeg een kus van hem en weerde die af alsof het een belediging was, een regelrechte belediging. Waarom kan ik niet zo zijn? Nadia zegt dat zij nog nooit verliefd is geweest, dat zij niemand heeft van wie zij kan houden, maar kun je onze verschillende karaktersoorten wel met elkaar vergelijken ? Ik ben zo triest omdat ik daarvan van slag raakte, maar bij haar komt dat omdat zij nog nooit iets heeft meegemaakt. Niemand heeft nog nooit van mij gehouden! Elsa TrioletVernedering, wat een vernedering! Ik had ook best kunnen flirten en me in allerlei bochten kunnen wringen als ik afhankelijk was geweest van mijn verlangens, en als ik gevoelloos en kil met iedereen had kunnen aanpappen. En bovendien, er zullen best mensen zijn die dat gekoketteer leuk zouden vinden, want zij vinden mij toch ook leuk. Dat ik weinig mensen ken speelt geen enkele rol, in tegenstelling tot wat ik eerst dacht, als ik mooi was dan zou het me niet aan mensen ontbreken.

Ik weet dat als ik een beetje mijn best deed, ik dan verstandig zou redeneren en dan zou ik kunnen leven net als eerst in die Welt hinein, zoals ik al eens eerder vertelde, maar daar heb ik geen zin in, misschien is het beter om met luciditeit te leven, me niet met hoop een illusie voor te houden, niets verwachten, nergens op wachten, niets doen, niets willen of verlangen. Ik zit met een dikke grijze mist in mijn hoofd. Ik kan niet beschrijven in wat voor toestand ik zit. Gisteren heb ik mijn woede over Lili uitgestort. Ik sprak over haar met Liovouchka en daar was mama bij en ik zei dat ik niet meer naar haar toe wilde, nou ja, ik ga natuurlijk geen ruzie met haar maken, ik ga wel naar haar toe met papa en mama, maar niet zoals dat tot nu toe ging. Waarom zou ik mezelf ook zo kwellen? Lili vindt het niet leuk als ik kom, en vooral wanneer zij bezoek heeft, ze heeft me niets te vertellen, en zij laat me gewoon in een kamer zitten in mijn eentje, en ze gaat soms zelfs gewoon naar buiten. Als dat iets met vriendschap te maken had, dan zou het nog wel fijn zijn, maar het is gewoon onverschilligheid.

Ze doet maar! Trouwens, ze zou het niet eens opmerken. Mijn hemel, wat moet ik doen? Wat moet ik doen? Als ik nu nog kon huilen. Maar ik kan geen traan tevoorschijn toveren. En toch, als je diep in mijn hart kijkt, dan zou je nog wel wat hoop vinden. Hoop heeft een hard leven. Naast grote angst en wanhoop zonder uitweg, komt soms een lach tevoorschijn en zin om naar buiten te gaan, je om te kleden, maar daarna, wanneer je er achter komt dat je nergens hebt om naartoe te gaan, dat er geen enkele reden is om je netjes aan te kleden, dan komt de angst je weer lastigvallen. Op dit moment vind ik het vervelend om de hele tijd hetzelfde te schrijven. Ik heb helemaal geen kwellingen, wat een onzin allemaal! Maar daarna, toen ik aan mama dacht, voelde ik dat het onmogelijk voor me was om te lachen en zelfs te glimlachen op een natuurlijke manier. Als mama niet zo irritant was, dan was ik waarschijnlijk al veel langer geleden gekalmeerd. Ik ben niet door Mara vanavond ongelukkig geworden, maar door het gevoel van mijn onmacht, van mijn wanhoop. Wat komt hij hier nu doen? Ik heb hem helemaal niet nodig, ik heb nog geen kruimel liefde voor hem, ik heb niet meer zo’n hekel aan hem als eerst, maar ik had hem toch wel een gemene opmerking in zijn gezicht willen maken, aan iedereen wel trouwens.