Vertaling brief Léo Ferré aan Alain Peyrefitte

 

 

Roger Knobelspiess
15 -9-1947 / 19-2-2017

Vertalingen van de brief die Léo Ferré schreef aan de minister van Justitie Peyrefitte om Knobelspiess vrij te krijgen, literaire teksten, Frans leren

Léo Ferré aan Alain Peyrefitte. 3 april 1981

Vertaling brief Léo Ferré aan Alain Peyrefitte,brief van Léo Ferré uit 1981, aan de minister van Justitie Alain Peyrefitte om Knobelspiess vrij te krijgen.In Frankrijk is de doodstraf pas afgeschaft in 1981, toen François Mitterrand van de Parti Socialiste in mei 1981 tot Président verkozen werd.

Daarvoor regeerde Valéry Giscard d'Estaing, met als minister van Justitie Alain Peyrefitte van 1977 tot 1981.
Deze Peyrefitte trad hard op tegen criminelen, zoals bij Roger Knobelspiess.


Deze kreeg vijftien jaar gevangenisstraf voor een diefstal van 800 francs (zo'n €120), die hij altijd ontkend heeft.

Léo Ferré schreef, net voor de verkiezingen, een brief aan de minister van Justitie Alain Peyrefitte om Knobelspiess vrij te krijgen.

Excellentie,

    De weg is lang voor iemand die beweert zichzelf te verbieden zich ooit met de zaken van anderen te bemoeien, maar die daarop dan soms, toch, een apart lichtschijnsel ontwaart dat zich uitsluitend richt op problemen van stilte  - ook al is die stilte bewapend – en op problemen van onwetendheid. Want de mens laat niets blijken van zijn oneindige eenzaamheid, van zijn ware definitie van denkende tweevoeter, zegt men, en geholpen door een toegestoken hand die soms broederlijk is, en, meestal reikend naar het onuitgedrukte of naar uiterlijke schijn.
U heeft uw aders, uw longen, uw nieren, dat hele arsenaal dat nutteloos lijkt voor anderen maar waar u zelf erg aan gehecht bent, zoals dat overigens ook voor mij geldt en voor alle mensen, waar zij ook leven, waar zij ook zijn, waar zij zich ook ooit hopen te verstoppen om te wachten op het moment waarop zij niets meer zijn, echter, zij zullen vooral niet wachten op Frankrijk of gerechtigheid of rechtspraak.
De rechtspraak der mensen staat in de plus, maar die van veroordeelden bevindt zich aan de minkant met zijn eigen pretenties, met – wie weet? -  zijn eigen wetten.
In het rampzalige van bewuste en gemuilkorfde sociabiliteit.

    Het Wetboek van Strafrecht is uitgevonden door Anderen.
Die Anderen zijn uitgevonden door zichzelf en door die niet uit te drukken verdediging die zij hebben voor hun institutionele heil, hun min of meer betrekkelijke eerlijkheid, ook al heeft deze eerlijkheid alleen maar betekenis voor zover wij die kunnen duiden en verwarren met de tijd om lief te hebben, de tijd om te glimlachen, of, de tijd om geaccepteerd te worden door de geldende wetten en door de gerechtigheid die op haar beurt ook is uitgevonden, opdat mensen elkaar te hulp kunnen schieten en elkaar te verdedigen.
Boven al deze denkende en plechtige woordenstroom staat de macht, die altijd absoluut is, zelfs de macht van de pet, van de deurwaardersketen of van de mitrailleur.
Het is gebruikelijk om te beweren dat de dood die door de wet wordt bepaald in de vorm van doodstraf niet een dood is, maar meer een soort van compromis tussen het verlies van de te hulp geschotene en de laatdunkendheid  van de helper…. 

    Toen Mijnheer Pompidou ziek was, erg ziek, moest hij zich binnen zijn gezin een waarde geven vanwege bepaalde psychologische zwakheden van hem, en dat deed hij door zijn oor boven zijn moed en verstandsverlies te zetten ; deze mijnheer Pompidou, kon in december 1972, ’s ochtends om vijf voor vijf, zijn telefoon van de haak nemen en tegen wie dat aangaat en het maar wilde horen, zeggen dat de executie van de ter dood veroordeelde Bontems ingetrokken moest worden, en dat deze man nooit iemand gedood had.
Mijnheer Pompidou, die ziek was, heel erg ziek, deed dit niet. Hij dacht dat hij Frankrijk was.
Generaal De Gaulle heeft, ook niet vijf minuten voor de executie van zijn onhandige moordenaar de telefoon gepakt, want zo werd vermeden dat men de man later nog zou kunnen berechten, maar hij had kunnen zeggen – zoals ik dat nu doe in zijn naam, “Bedankt mijnheer, voor het feit dat u te weinig talent had om mij te kunnen doden”. Generaal De Gaulle dacht ook dat hij Frankrijk zelf was.

    Deze heren waren dus “zogeheten” President van de Franse Republiek. En vandaag de dag liggen zij onder de grond, en vallen zij ten prooi aan de ultieme uitvinding van de natuur die maakt dat niets de tijd kan weerstaan, zelfs je identiteit niet – behalve de steen op hetVertalingen van de brief die Léo Ferré schreef aan de minister van Justitie Peyrefitte om Knobelspiess vrij te krijgen, literaire teksten, Frans leren graf waarop de geboortedatum staat die wijst naar die andere datum die net zo doeltreffend en onvermijdelijk is als de eerste – en behalve de herinnering die zich weldra uit het geheugen zal wissen van de mensen, en dat is goed voor iedereen, moet ik wel zeggen, want gelukkig leven de mensen met hun tijd, met hun longen, met hun handen en hun ongeëvenaarde eenzaamheid.

    De Procureur de la République mijnheer of mevrouw DINGES sterft.
Het Openbaar Ministerie nooit! Een of ander jurylid DINGES van het assisenhof sterft. Het Hof van Assisen, nooit!
Dat is ook de reden waarom ik de serieuze fantasie op me heb genomen om de minister van de “zogeheten” Justitie te schrijven.
Neemt u dit niet verkeerd op, ik heb geen enkele bijgedachte, het ligt veel eenvoudiger.

    Binnenkort zult u, zoals men zegt, uw plaats afstaan, omdat dat nu eenmaal zo gebeurt en omdat er, denk ik, nieuw bloed door nieuwe aderen moet stromen, althans, aderen die jonger lijken.
U heeft uw aders, uw longen, uw nieren, dat hele arsenaal dat nutteloos lijkt voor anderen maar waar u zelf erg aan gehecht bent, zoals dat overigens ook voor mij geldt en voor alle mensen, waar zij ook leven, waar zij ook zijn, waar zij zich ook ooit hopen te verstoppen om te wachten op het moment waarop zij niets meer zijn, maar zij zullen vooral niet wachten op Frankrijk of gerechtigheid of rechtspraak.
De rechtspraak der mensen staat in de plus, maar die van veroordeelden bevindt zich aan de minkant met zijn eigen pretenties, met – wie weet ? - zijn eigen wetten.
In de anti-wet staat een code, die niet altijd simpel is, en die afhankelijk is van een bepaalde tekst, zoals men zegt, in een bepaald “milieu”.

    Vanochtend komt u aan op uw kantoor en u heeft hoofdpijn, heel erge hoofdpijn. Men komt op uw deur kloppen om te praten over een specifiek geval. Hoe verloopt dan uw denken? Mocht u “afgeleid” zijn, door uw psychische toestand, waarin u ondoordringbaar bent voor anderen en o zo gevoelig voor u zelf, is het dan zo dat het “specifieke” geval in kwestie uw huidige persoonlijke probleem voorbijstreeft ? Of denkt u bij uzelf : “Vanavond ga ik vroeg naar bed en dan neem ik een heel doosje aspirine en dan ga ik slapen …”
Denkt u niet dat een computer zonder hoofdpijnen, met zijn eeuwigdurende trouw en elektronische aandacht en zijn plicht een robot zonder fouten te zijn, denkt u niet dat deze beter in staat is de regels toe te passen, en, hoop ik, onverwachte beslissingen te kunnen nemen omdat hij deze allemaal eerst geleerd heeft en daarna feilloos en inventief kan toepassen?
Een aal is in staat om in een hoeveelheid water die gelijk staat aan vijftig maal de inhoud van het Meer van Constance één kubieke centimeter fenylethylalcohol te detecteren.
Een aal, Excellentie, een aal!
Wat is dat dan voor een super-intellligente aal, een hoogbegaafde aal misschien?

    Het specifieke geval waarover ik u wil vertellen voordat ik afsluit, en dat ook de reden is waarom ik deze brief schrijf, is het geval van Knobelspiess, die al twaalf jaar vastzit en onschuldig is!
Hij schreeuwt in de woestijn, al twaalf jaar. Hij heeft twee boeken geschreven waarin hij ook krijst, en met talent bovendien, wat misschien niet eens het geval is voor die “constanten” van alen …
De heren Michel Foucault en Claude Mauriac waren erdoor geraakt. Zij hebben elk een voorwoord geschreven voor die twee boeken, en nog veel beter dan ik het zou kunnen. Als u het diepst van mijn gedachten zou willen weten, en die ook de uwe behoren te zijn, en dat zou ik gaarne wensen, dan zou een hoogbegaafde computer de deuren van Knobelspiess’ gevangenis allang open hebben gezet.
Om maar te zeggen dat een menselijk brein zonder enige twijfel de computer zou kunnen vervangen waar hij zelf zijn te talrijke zorgen in heeft gestopt.
De ontbrekende 20 of 30% zou genoeg zijn om de kunsten van de microprocessor te kunnen overstijgen en ook die van die cum laude-aal.
Kom op, mijnheer de minister, mijne Excellentie, open de deur voor Knobelspiess.
Dat de wet van de mens eindelijk de wet moge zijn van Alle Mensen.

    Hartelijk dank van mij en ook van mijn vriend Roger Knobelspiess.

    P.S. – Ik heb uitgeverij Stock gevraagd om u de twee boeken te sturen van Roger Knobelspiess : Q. H. S. (Quartiers de Haute Sécurité), met daarin een voorwoord van Michel Foucault (1980), en L’Acharnement ou la volonté d’erreur judiciaire, met een voorwoord van Claude Mauriac.

    Léo Ferré