Charles Baudelaire: Een keuze uit zijn brieven. Brussel, België. Aan Madame Aupick, Brussel. 11 juni 1864

Charles Baudelaire
Brussel, België

Charles Baudelaire: Een keuze uit zijn brieven, laatste jaren van zijn leven tijdens zijn verblijf in Brussel, België.VertalingenVivienne‏
 Zoom 

 Le Désespoir de Pierrot. James Ensor, Ostende 1860-1949

AAN MADAME AUPICK
Brussel, zaterdag 11 juni 1864.

Lieve moeder,
 

    Je bent helemaal niet in de steek gelaten, maar je bent een vrouw, je bent nerveus. En ik heb er een grote hekel aan om je te schrijven als ik alleen maar betreurenswaardige dingen te vertellen heb. Daarbij ben ik vreselijk druk; ik zit vol ongerustheid over de toekomst, over Parijs, over een boek 1 dat gedrukt wordt waar ik niet bij ben, en waarvan ik de drukproeven steeds maar heel onregelmatig ontvang; en ook nog, zonder al mijn problemen mee te tellen, ben ik sinds de laatste zes weken constant ziek geweest, zowel lichamelijk als geestelijk.

    Om maar meteen op het onderwerp van je brief te antwoorden, dat is ja2, omdat ik vermoed dat je dat plezier doet. Maar het is wel heel stom. Het enige wat ik wel wil is dat niemand aan die dozen komt. Ik weet niet eens meer waar al die papieren liggen, schrijfwerk, zakenpapieren, etc…., en ik weet niet waar mijn sleutels gebleven zijn.
Dan kom ik wel wat later naar Honfleur toe, dat is alles. Het is niet om mijn schoonzus te ontwijken, maar ik heb toch wel recht op wat rust, en ik zou me dan veel te slecht voelen. Vertel me wanneer mijn schoonzus komt, en hoelang ze dan blijft.
Nou, ik denk dat mijn zaken een zodanige draai aan het nemen zijn dat ik wat langer moet blijven dan ik dacht.
Ik wilde de 20e weggaan; maar omdat ik nu ineens wel de kost móet verdienen, en ik niet Parijs door kan zonder geld uit te delen, heb ik bedacht om een boek te maken van mijn reis, verdeeld in een reeks brieven die waarschijnlijk in de Figaro zullen verschijnen.
En daarna ga ik het boek in de verkoop brengen 3. Dat is nu eens moed; maar daarvoor moet ik naar Antwerpen, Gent, Luik, Namen, Audenarde en Brugge snellen; ik moet gaan kijken en vragen stellen; en als je eens wist met wat voor bruten ik hier te maken heb!

(Zou je me, nogmaals, zonder je armzalige budget overhoop te halen, me een klein bedragje kunnen sturen, 100 of 200 of zelfs 50?)

    Zodra we weer bij elkaar zullen wonen, wil ik alles, al het mogelijke doen om mijn lot te verbeteren, en om mezelf te redden; want ik wil die Raad van Toezicht niet meer; ik wil mijn verdere leven volledig aan werken besteden, en jou vermaken, en ik wil niet in armoede sterven.

    Dan nu het verslag van mijn treurige heldenfeiten (triest tot nu toe) en dan kun je zelf oordelen of het mijn schuld is.

    Ik was hier gekomen voor een boekhandelaar, om hem 3 boeken 4 voor vijf jaar aan te bieden, en om hem daarvoor 20 000 frank te vragen of anders de hoogst mogelijke prijs per uitgave, in de veronderstelling dat er een reeks uitgaven zou komen.

    Die vijf lezingen die ik gegeven heb waren alleen maar voor hem. Hij heeft vijf uitnodigingen gekregen, en hij is niet gekomen.

    Die voordrachten (de laatste was op de 23e), waren misschien wel verschrikkelijk lang, het dubbele van wat gebruikelijk is, twee uur in plaats van een, maar die hadden zo’n groot succes, dat men zich niet kon herinneren ooit iets dergelijks gezien te hebben 5.

    In het begin was ik grootmoedig, toen ze het hadden over de voorwaarden: “Regel het maar zoals u het wilt; ik ben niet goed in het bespreken van dat soort zaken.” Dat was wat ik gezegd heb. Toen kreeg ik een vaag antwoord van dat het 100 frank6 zou zijn. Ze zeiden tegen me dat ze naar de Cercles van Luik, Gent, Antwerpen en Brugge zouden schrijven. Maar, ze hebben daar zo lang over gedaan dat het seizoen voorbij was.
Op 24 mei kwam er een deurwaarder van de Cercle bij me langs met 100 frank (in plaats van 500), plus een brief, waarin mijn duidelijke minachting voor geld veel te letterlijk werd genomen, daarin stond dat aan het eind van het seizoen de reserves uit de kas op waren, maar dat ze een goede herinnering aan mij hadden overgehouden, en dat ze me volgend jaar zouden vergoeden.
Dat zijn nu de mensen van de nette wereld, advocaten, kunstenaars, magistraten, mensen die zo op het eerste gezicht heel netjes opgevoed zijn, maar die duidelijk een buitenlander oplichten die aan hen is overgeleverd.

    Wat moet ik doen! Geen schriftelijke overeenkomst! Hier schaadt onfatsoenlijk gedrag niemand, het is juist een vaardigheid. Het geld naar de armen sturen zou de cercle beledigd hebben, en iedereen tegen me in het harnas jagen. Goed, ik had verschrikkelijk hard geld nodig; dus, de 24e heb ik het hotel betaald, en ik had 3 stuivers te weinig.

    Je denkt misschien dat mijn ongeluk daarmee ophoudt. Helemaal niet.

    Plotseling was er het gerucht dat ik van de Franse politie was!! Dat laaghartige bericht komt uit Parijs, en is door iemand uit de bende van V. Hugo verspreid, die heel goed de domheid en de goedgelovigheid van de Belgen kent.
Het is wraak aan de hand van een brief 7 die ik gepubliceerd had in Parijs, waarin ik spotte met het fameuze Shakespearebanket. – Misschien begrijp je het niet. – 

    Maar nu, die boekhandelaar in kwestie8 is ook de boekhandelaar van V. Hugo, en ik ben geneigd te denken dat hij niet naar de voordrachten is geweest omdat iemand hem voor mij heeft gewaarschuwd.

    Hoe dan ook, ik zal er toch een einde aan moeten maken, en maandag wil ik alles op alles zetten, met een lezing die ik zelf heb georganiseerd, bij een wisselagent die me zijn salon leent 9.

    Ik heb zojuist een zesde uitnodiging naar de boekverkoper Lacroix10 gestuurd. Ik heb ook zojuist een uitnodiging naar de minister van het Koningshuis 11 gestuurd, bij wie ik overigens heel vriendelijk ontvangen ben.
Ik wil belangrijke mensen.
Ik wil een zichtbare reparatie van die achterlijke lasterpraat.

Het heeft me heel wat moeite gekost om je dit allemaal te schrijven. Ik houd van je en ik zend je veel liefs.

Je laatste brief was niet goed gefrankeerd. Laat me geen schulden bij de conciërge maken.

Je krijgt deze brief morgenavond, zondag; als je me maandag voor vijf uur terugschrijft, dan krijg ik je brief dinsdagavond.

Charles.


  Noten:

1 Les Histoires grotesques et sérieuses.
2 Over het voorstel van madame Aupick om mevrouw Alphonse Baudelaire in de kamer van Charles te laten slapen.
3 Les Lettres belges hebben nu de afmetingen van een boek.
4 Les Paradis en de twee andere boeken met recensies.
5 Baudelaire las de fragmenten uit zijn brochure over Théophile Gautier.
Camille Lemonnier heeft zijn indrukken vastgelegd (La Vie belge, FAsquelle, 1905, pagina 68-73;
fragmenten uit Bdsc, 185-187).
Het publiek was dun bezaaid, zo'n twintig toehoorders.
En Baudelaire schrok hen af wat niet goed was voor zijn volgende lezingen.
Hij verklaarde in zijn aanhef: "Ik ben des te meer geraakt door de ontvangst die u me heeft willen schenken,
omdat ik met u mijn maagdelijkheid als voordrachtskunstenaar heb verloren, - een maagdelijkheid die, overigens, niet méér spijtig is
dan die andere!" (La Petite Revue, 21 januari 1865; geciteerd in Bdsc, 185).
De vorige lezingen hadden geen groot publiek getrokken.
6 Over het honorarium dat Baudelaire had ontvangen, zie de brief van 6 mei aan Madame Aupick.
7 De brief: het artikel over L'Anniversaire van de geboorte van Shakespeare
verschenen in Le Figaro van 14 april 1864.
Het artikel was anoniem, maar de Hugo-clan had niet veel moeite hoeven doen om de auteur ervan te ontdekken.
De conclusie trekken dat de clan dan ook het gerucht deed rondgaan is een stap die niet makkelijk te maken is.
8 Albert Lacroix.
9 Prosper Crabbe. Zie de briefjes aan Frédérix en Malassis van 11 juni.
10 Een is er teruggevonden en misschien nog een tweede.
Baudelaire had hem dus drie of vier andere uitnodigingen verstuurd voor de lezingen die hij al gedaan had.
En een zesde voor de lezing die hij bij Crabbe zal doen.
11 Van Praet, die een van de mooiste schilderijencollecties had.
Baudelaire spaarde hem niet; zie Les Amaenitates Belgicae, L'Amateur des beaux-arts en Belgique.
12 Le Capitaine Fracasse van Gautier was in twee delen verschenen bij Charpentier aan het eind van 1863
(De Bibliographie de la France heeft hem op 7 november geregistreerd).
13 Zie Pauvre Belgique! Hoofdstuk 18.