Correspondentie Baudelaire: België, aan Narcisse Ancelle.Brussel, donderdag 21 december 1865.

Charles Baudelaire
Brussel, België.

Cornelis Mahu.Charles Baudelaire, correspondentie Brussel, België. Vertaling Charles Baudelaire, Vertalingen Vivienne Stringa.

Zoom  Cornelis Mahu, 1613-1689. Belgisch kunstschilder.

AAN NARCISSE ANCELLE
Brussel, donderdag 21 december 1865.

 

Beste Ancelle,

    Ik had u al veel eerder moeten antwoorden, maar ik heb weer een aanval gehad van zenuwpijnen in mijn hoofd en dat duurt nu al meer dan twee weken. Weet u dat je daar gek en stom van wordt, en om vandaag te kunnen schrijven aan u, aan Lemer en aan mijn moeder, heb ik mijn hoofd in een wrong moeten wikkelen die ik ieder uur in pijnstillende vloeistof drenk.
De aanvallen zijn minder heftig dan vorig jaar, maar de pijn duurt nu wel veel langer.
- Ik moet u voor alles duizend excuses maken voor de last die ik u ga bezorgen. Er is niets onverdraaglijker voor een druk bezet man dan opdrachten krijgen.
Ik weet heel goed hoe onbehoorlijk ik ben, maar hoe moet ik het dan doen, en tot wie anders kan ik me richten, behalve dan aan u?

    Het gaat om het horloge. Trouwens, het is (of anders was!) tijd om het in te lossen, en u weet hoezeer ik aan dat souvenir gehecht ben. Ik heb de manie om op elk tijdstip te willen weten hoe laat het is, en ik kan niet werken zonder klok.
Ik heb heel lang een klok gebruikt die ik geleend had maar die men nu teruggevraagd heeft. En dus is het beter om in te lossen dan verlengen.

    Het spijt me echt heel erg voor de ritten die u hierdoor moet gaan maken. Een of misschien twee keer naar de Lommerd gaan, het dan zorgvuldig in een doosje inpakken zó, dat het onderweg niet kan bewegen, en het dan tenslotte bij de Spoorwegen of op het postkantoor afgeven, en een reçu vragen.
Ik geloof dat u gelukkig wat men noemt een grote erkenning heeft, en dat het bureau in de rue Joubert een groot  bureau is. En dus is er maar één rit nodig.
Maar u kunt u dit ook allemaal overlaten aan een loopjongen waar u vertrouwen in heeft.

    Het reçu dat hierbij zit is voor de 40 frank van het horloge, 100 frank die ik aan u vraag voor de Nieuwjaarsinkopen  (wat ik heel erg vind) (en omdat ik ze niet voor de hotelbazin wil besteden vraag ik u om het poste restante te adresseren) , en dan als laatste nog 10 frank waarvan ik veronderstel dat die meer dan genoeg zijn voor de rente van de Lommerd en de twee frankeringen.
Het spreekt voor zich dat ik de eerste maanden van het nieuwe jaar het verstoorde evenwicht door dat voorschot van 300 frank moet gaan herstellen.
Dat is makkelijk te doen door maar 80 of 90 frank per maand op te nemen. Dan staan we in april weer gelijk.
Ik ga niet opscheppen dat ik die ordinaire deugden die u mij zovaak gepredikt heeft allemaal al bezit, maar u heeft toch wel moeten bemerken dat ik er al aardig naartoe neig.

    Ik moet ongeveer zo'n dertig frank zien te verkruimelen onder de bedienden, en ik kan het niet maken om niet bij twee of drie huizen met wat kleinigheden aan te komen, met name bij Madame Hugo, bij wie ik lange tijd over de vloer kwam.

    Ik zie nu niemand meer, - ondanks uw raad.

    Ik heb liever mijn verveling dan een afleiding met flauwe gesprekken. En daarbij, ik heb mijn hoofd altijd maar bij mijn moeder of bij die vervloekte Julien Lemer. Verder niets. Ik kan trouwens mijn kamer toch niet meer uit.
Mijn kapsel zorgt voor schandalen, zelfs op de gang.

    En u gaat er van uit dat ik die onzin uit Parijs lees en dat geklets van ene mijnheer Rochefort, maar ik ken dat wat men de kleine journalistiek noemt maar al te goed, net als de kleine krantjes, en de caféliteratuur!
En u heeft het over heer Lanfrey, maar u bent mijn haat dus vergeten jegens wat men de liberalen noemt. En het boek over België is nu juist mijn uitdrukking van die haat. Julien Lemer heeft me er onlangs om gevraagd, of in ieder geval de exacte opzet ervan, een samenvatting.
Ik denk dat hij het wil kopen. Maar zolang ik geen hoop heb op een paar uur respijt in mijn schedel, kan ik echt niet werken.

    Een paar dagen geleden, twee weken ongeveer, heb ik een aangenaam bezoek gehad dat mijn humeur een beejte heeft opgebeurd, - voor een paar uur. Een jonge man uit Parijs, uit mijn vriendenkring, is naar me toegekomen.
Hij had Julien Lemer gezien toen die bij de heren Garnier vandaan kwam, nog altijd volhoudend dat de zaak goed zou komen.
Lemer heft het niet meer over 4000 frank, maar over 5000 of 6000. Maar wat een geheimzinnigheid toch, al dat getreuzel! Nou ja, als het tumult van Oud en Nieuw over is, dan ga ik dat zelf wel allemaal uitzoeken.

    En mijn naam die vergeten wordt! En Les FLeurs du mal die maar slapend waardevol zijn, en die als ze in handen waren gekomen van een behendig iemand al sinds negen jaar twee uitgaven per jaar hadden kunnen hebben!
En die andere boeken! Wat een vervloekte situatie!

    En als we aannemen dat België helemaal af komt, en door Lemer wordt gekocht, dan kan hij me daar hooguit maar 800 frank voor geven voor een eerste oplage, maar, niet alleen is dan zo'n bedrag absoluut niet genoeg voor mij, maar bovendien kan ik het boek niet laten drukken zolang ik in België ben. En dus moet ik terugkomen op de zaak Garnier.

    De nieuwe Koning heeft zijn triomfintocht gemaakt op een muzikale deun van de Bouffes-Parisiens, "C'est le Roi barbu qui s'avance.
" Dat is de fout van een naïeve Duitser die het militaire orkest dirigeerde.
Dit volk is zo diepgeworteld dom dat niemand dat komisch vond.

    De prinsen van Orléans hebben de eedaflegging niet bijgewoond.
Zij gingen liever weg dan aan de ambassadeurs hun voorrangspositie af te staan.

    Die hele nationale rouw heeft zich geuit in een afschuwelijk drankmisbruik.
Nooit waren de straten zo overstroomd met urine en braaksel. Op een avond wilde ik naar buiten gaan, en toen viel ik meteen op de grond.

    - Kijk nu hoe ik een hoofdstuk moet toevoegen over de oude Koning.

    Indien u, net als ik, er van houdt om uw hart met woede te vullen, moet u eens een groot Parijs succes gaan lezen, Une cure du docteur Pontolais.
Dat is het verhaal van een heilige die bekeerd wordt tot atheïsme door een jonge arts. Het is een belediging, geschreven door een domkop. Het is de vrouw Sand waardig.

Nogmaals, duizend maal excuus, en mijn hartelijke groeten aan mevrouw Ancelle.

C.B.

    In ieder geval zal ik zondag mijn hoofd inpakken en naar het postkantoor gaan. Misschien neemt de post ook pakjes aan voor de poste restante.

    Ik zou heel blij zijn om uw twee antwoorden zondag te krijgen (het pakket van de Spoorwegen, - of het moet het postkantoor zijn dat zich daar mee bezig houdt, - en de aangetekende brief  bij de poste restante), de dag voor Kerst.
Maar ik vrees dat u dat niet allemaal in twee dagen kunt doen.

  Inhoudsopgave    Volgende brief