Baudelaire, correspondentie. Aan Madame Victor Hugo, aan Madame Aupick, aan Henry de la Madelène, aan Narcisse Ancelle

Charles Baudelaire
Brussel, België.

Pieter Snyers.Belgisch kunstschilder. Charles Baudelaire, correspondentie Brussel, België. Vertaling Charles Baudelaire, Vertalingen Vivienne Stringa.

Zoom Pieter Snyers, 1681-1752. Belgisch kunstschilder.


AAN MADAME VICTOR HUGO
Brussel, 4 november 1864.


Madame,

     Zou u zo vriendelijk willen zijn om uw man en uw zonen overtuigend mijn excuses te maken. Het is nu al 4 uur.
Ik ben niet gekleed, ik heb mijn werk nog niet af, en vanochtend ben ik vanuit Parijs overspoeld met een overvloed aan taken.

     Helaas moet ik tot mijn grote spijt uw vriendelijke gastvrijheid van vanavond weigeren.

     Met de meeste hoogachting,

Charles Baudelaire.

AAN MADAME AUPICK
Bussel, dinsdag 8 november 1864.


Lieve moeder,

    Alsjeblieft, laat me weten hoe het met je gaat. Ik ben ongerust over je.

    Heb je wel een brief van mij ontvangen op 4 november ’s avonds? Zelfs als je niets te vertellen hebt, schrijf me dan toch, ik heb het constant nodig om je brieven te lezen.
Ik ben echt ongerust.
Als je ziek mocht zijn, moet je het me meteen vertellen.

Charles.

AAN HENRY DE LA MADELÈNE
Brussel, dinsdag 8 november 1864.


Beste vriend,

    Ik heb u een brief geschreven op 4 november die de 5e in Parijs aangekomen moet zijn; indien u hem niet heeft ontvangen, hij ligt in de rue des Saints-Pères 19.
Ik wacht op uw antwoord en deze brief adresseer ik naar uw oude adres vanwaar men hem u waarschijnlijk doorstuurt naar de plaats waar u nu woont.

Ch. Baudelaire.

Wellicht was ik vergeten u mijn adres te geven:

Hôtel du Grand Miroir, Rue de la Montagne,

Brussel.

AAN NARCISSE ANCELLE
Brussel, zondagavond, 13 november 1864.


Beste vriend,

    Vergeet de zeer belangrijke datum van aanstaande zondag niet, 20 november.

    De voorwaarde dat ik uw 600 frank zondagochtend om 8 uur krijgen kan, is dat u die zaterdag vroeger op de post moet doen dan u gewend bent, want u woont in de voorstad. Er moet rekening gehouden worden met de verschillen in de postlichtingen.

    Als ik uw 600 frank zondagochtend heb, ben ik ’s avonds om 9 uur in Parijs.
Ik smeek het u, breng mijn plannen deze keer niet in de war. U moet weten dat er hier geen enkel soort van verwijt voor u bij is.
Ik ben u zeer erkentelijk voor uw zeer aardige aanbod, maar de moeilijkheid voor u om onmiddellijk en volledig te antwoorden op mijn verzoek van 13 oktober heeft mijn plannen compleet in de war geschopt. Nadat ik uw eerste 200 frank aan het hotel had gegeven, hoefde ik nog maar 400 frank te geven. Maar nu is dat ongeveer 600, als gevolg van mijn verblijf hier dat met een maand verlengd is.
Ik weet wel dat het op de eerste van deze maand 517 was.

    Ik heb nu al drie keer tegen de bazin van dit hotel gezegd dat ik haar meteen zou betalen, en nu heb ik al drie keer mijn belofte moeten breken.
Alstublieft, vergeet me niet (zaterdag, voor zondagochtend), want ondanks dat wat ik u geschreven heb, het afgrijzen dat ik heb om mijn fragmenten te laten publiceren terwijl ik nog hier ben (en zonder drukproeven tot mijn beschikking te hebben!) heeft me ervan weerhouden om naar Villemessant te schrijven.

    Simon Raçon bezorgt me grote woedeaanvallen door zijn reeks drukproeven die steeds onderbroken wordt.

    Hetzelfde geldt voor L’Opinion nationale.

    Hetzelfde geldt voor iedereen.

    Het is geloof ik een vooringenomen besluit bij alle mensen, dat zij nooit op het afgesproken tijdstip doen wat zij moeten doen. Dit verwijt tegen iedereen klinkt bizar uit mijn mond want ik ben zelf immers op dit gebied een van de grootste schuldigen.
Maar ik doe iedere dag mijn best om me te verbeteren.
Ik ben er van overtuigd dat rijkdom bij een imbeciel voortkomt uit deze eigenschap, en dat armoede bij een geniaal man komt door het gebrek aan die eigenschap.

     Ik heb deze laatste maand getracht te gebruiken om wat verder in een paar kwesties te treden (bijvoorbeeld, het Openbaar Onderwijs), en ik heb de meest grappige ontdekkingen gedaan. Napoléon I, Louis-Philippe, en vooral heer Duruy (die van Frankrijk een België wil maken) heersen hier nog steeds.

    Als ik in Parijs een moedige uitgever kan vinden (want Le Figaro zal het hele boek niet durven drukken), dan zal ik hele grappige dingen te vertellen hebben.
Ministers, gedeputeerden, mannen die belast zijn met de meest ernstige zaken, kennen noch betekenissen van woorden, noch spelling, noch een logische opbouw van een Franse of Latijnse zin.
Hoewel men daar in Frankrijk nauwelijks méér verstand van heeft.

    Eigenkijk ben ik dus onvolledig tevreden over mezelf. De aardschok die u bij mij veroorzaakt door uw late verzending heeft me gedwongen om mijn analyse van sommige aspecten in de provincie uit te stellen tot het voorjaar.
Maar ik zal wel het plezier kennen om vier tot vijf maandenlang tweederde van mijn boek te drukken.

    Ik heb zo’n twintig bezoekjes af te leggen in Parijs.
Ik denk dat ik dat wel kan doen, in een week. Dat boek over België is, zoals ik al had verteld, een probeersel van mijn krabbels.
Ik ga het later gebruiken tegen Frankrijk. Ik zal dan heel geduldig alle redenen van mijn walging van het menselijk ras uitdrukken. Zodra ik volledig alleen zal zijn, ga ik een religie zoeken (Tibetaans of Japans), want ik heb teveel minachting voor De Koran, en op het moment dat ik sterf, zal ik dan ook die laatste religie afzweren om mijn afkeer van de universele domheid goed te laten zien.
U ziet dat ik niet veranderd ben, en dat België zelf er ook niet in geslaagd is om me stom te maken.

    Als ik zondag om 3 uur vertrek, wat afhangt van uw 600 frank, dan ben ik tegen 9 uur ’s avonds in Parijs.

    Ik zal dus pas het genoegen hebben u pas maandagochtend te zien.

    Wilt u de groeten doen aan mevrouw Ancelle.

Uw toegewijde,

C.B.

Grand Miroir,

Rue de la Montagne.

Mijn moeder schrijft me soms een korte brief, waarin ik een trieste toon aantref (ik durf niet te zeggen van verzwakking) die me zorgen baart.
Wat weet u van haar gezondheid af?
Want het zou heel goed kunnen dat ze,uit angst me te kwellen, ze me iets verbergt.

Ik vergat u te vertellen dat ik eerder weg zou gaan als ik eerder het geld van u kreeg.
Voor wat betreft het terugbetalen, daar praat ik vandaag nog niet over, omdat ik zeker weet dat u het niet zou geloven.