Charles Baudelaire aan Auguste Poulet-Malassis. Parijs, 18 november 1862.

Charles Baudelaire
CORRESPONDENTIE
Tweede deel volwassen periode

Vertalingen Vivienne Stringa.

 

AAN AUGUSTE POULET-MALASSIS
Parijs, dinsdag 18 november 1862.

 

Waarde,

    Vergeef me dat ik nog niet naar de prefectuur ben geweest.
De dagen zijn zo kort, en iedere dag moet ik proefdrukken corrigeren, dingen regelen, enz.

    Afgelopen zondagavond kwam ik Hetzel tegen en hij zei tegen me, alsof hij me iets in vertrouwen nam: “Malassis zit in Clichy”.
Ik moest lachen, en toen hij me vroeg wie dat had gedaan, en ik het hem vertelde, zei hij: “U beveelt dus vijanden van uw vrienden bij me aan.
Door u en om iets aardigs voor u te doen, heb ik drie boeken bij dat beest besteld.
” Vervolgens heeft hij me uitgebreid en zeer nauwkeurig uw positie uit de doeken gedaan, en hij verzekerde me dat de gevangenis (zelfs vanwege schulden) een ernstig symptoom was. Ik vertel u de dingen letterlijk, en ik moet u zeggen dat hij een levendige sympathie voor u heeft.

    Maar daarnet is me iets buitengewoons overkomen. Één van onze vrienden, waar Poupart op aast om hem in Clichy te laten vastzetten, vroeg me tussenbeide te komen, door me met zeer acceptabele voorstellen te overladen.
Poupart weigerde kortaf maar hij was heel kalm, toen ineens dat schepsel binnenkwam, en zodra die mij zag, werd zij benomen door een onbeschrijflijke razernij. Poupart schaamde zich en probeerde haar uit te leggen dat het om iets heel anders ging.
Niets hielp. Ze provoceerde me onophoudelijk met allerlei soorten beledigingen.
Toen er scheldwoorden kwamen die op u betrekking hadden, legde ik haar koeltjes uit dat welopgevoede mensen, wanneer zij iets slechts over iemand te zeggen hebben, dat nooit uitspraken in het bijzijn van de vrienden van diegene, en dat ik daarbuiten voor iets hel anders was gekomen, enz…

    “Maar hij zit toch zeker in de gevangenis, samen met zijn twee medeplichtigen!”

    Ik antwoordde: “Dat weet ik” (buiten die kwestie van die twee medeplichtigen).
Maar wat er nu zo eigenaardig aan was, was dat terwijl ik Clichy verstond, ze Mazas bedoelde.
Ik kan u de scène niet beschrijven, die zou je moeten mimespelen. Ik voelde me kil van haat, maar mijn gevoel van eigenwaarde won het.

    Maar toen begon me daar ineens Poupart, die tot nu toe kalm en zelfs een beetje schaamtevol was gebleven, maar waarschijnlijk bedwelmd werd door het afgrijselijke geschreeuw van die ouwe heks, ook te schreeuwen, zonder dat hij zelf wist waarom.
Want ik was niet gekomen om over u te praten, en ik had helemaal niets over u gezegd.

    Toen ben ik opgestaan, heb Poupart gegroet, en hij vergezelde me.
En de deur werd hard dichtgeslagen met vage verwensingen, aan mij gericht.
Dat was weer die woedende juffrouw waarschijnlijk omdat ik haar niet gegroet had.

    Ik hoop dat Poupart de tegenwoordigheid van geest bezit om me een excuusbrief te schrijven.
Als hij dat niet doet, dan vind ik waarschijnlijk wel de gelegenheid om hem een lesje te leren.

    Toen ik daar uit kwam, waarde vriend, had ik het koud en warm.
Ik moest gewoon even een café binnen gaan. Wat een hol met gekken en schurken!

    Zie maar of u het kunt begrijpen, zoveel dwaasheid uit te leggen en vooral of u iets tegen hen kunt zeggen, speel maar niet de gulle man meer, dat is te absurd.

    Nog nooit van mijn leven heeft iemand zo in mijn gezicht tegen me gepraat als die ouwe Stryge. Het is ongehoord.

Graag een antwoord.

Uw toegewijde,

C.B.

AAN AUGUSTE POULET-MALASSIS
Parijs, tweede helft november 1862.

 

     Ik ga vandaag of morgen naar de prefectuur.

     Als u hier weggaat, dan mag u de tekening houden die u leuk leek.

Tot binnenkort.

C.B.

  Inhoudsopgave     Volgende brief