Baudelaire, correspondentie, aan Mme Aupick, Parijs, 5 december 1837.

Charles Baudelaire
CORRESPONDENTIE
Zijn jeugd

Vertalingen Vivienne Stringa.

AAN MADAME AUPICK
Parijs, zondag 26 november 1843.

16 jaar oud

Lieve moeder,

    Vanochtend heb ik niet veel tijd gehad om je veel te vertellen. Misschien was je boos om de bruuske manier waarop ik je heb ontvangen, jij die nog wel altijd de goedheid hebt om me gezelschap te houden, ik vraag je om vergeving.
En om die te krijgen heb ik iets heel doeltreffends: ik ben tweede in Latijn vertalen.
Vanochtend had ik een proefwerk Grieks vertalen. Ik liet mijn proefwerk aan de conrector zien. Die zit vol misinterpretaties. Ik zal zelfs niet veertigste worden en ik zal me vreselijk schamen.

    Ik heb al mijn huiswerk af en mijnheer Rinn komt pas donderdagavond. Daarom verzoek ik je om me Les Derniers Jours d’un condamné en hem voor mij te reserveren. Dan heb ik hem zeker voor donderdagavond gelezen.
Dan kun je hem vrijdagochtend weer ophalen. Als het meerdere delen zijn, stuur me dan alles in één keer. Vandaag is het dinsdag, Joseph zou het me morgen kunnen komen brengen, ’s ochtends.
Pardon als ik je lastigval voor mijn pleziertjes. Dat is jouw schuld, jij bent zo goed dat je me eraan hebt gewend om je van alles te vragen. Liefde, ik ben tweede bij vertalen.
Bedank papa voor het bezoek dat hij bij me heeft afgelegd, het heeft me een ongelooflijk plezier gedaan, hij komt niet vaak op bezoek, maar hoe zeldzamer de dingen hoe waardevoller ze zijn.
Ik mag hem wel, die vader. Je moet niet vergeten hem mijn plaats te vertellen.

Het gaat beter met mijn been.

Adieu.

Charles.

  Inhoudsopgave     Volgende brief