Baudelaire, correspondentie, aan Mme Aupick, Parijs, 16 december 1837.

Charles Baudelaire
CORRESPONDENTIE
Zijn jeugd

Vertalingen Vivienne Stringa.

AAN MADAME AUPICK
Parijs, 16 december 1837.

16 jaar oud

Lieve moeder,

    Grote vreugde! Voor jou en mij. Maandagochtend kan ik weer naar de les. Dat zei de dokter tegen me. Wat geweldig!
Ik mag mijn gevangenis dus uit. De rector zei tegen me dat ik tijdens het wandelen en de pauzes naar de ziekenboeg moet komen, om niet te vermoeid te raken. Ik moet wel steeds een verband dragen.
Alsjeblieft, kom morgen om half acht als je kunt, dan kom je me ophalen en dan zal ik mijn zondag buiten school doorbrengen.
Kom naar de ziekenboeg, dan kleed ik me aan, en voor ik wegga breng ik al mijn boeken naar de studiezaal: Ah! Ik verzeker je, ik heb zo’n zin om jou te zien, en papa een hele dag te zien.
Ik heb behoefte om het leven in te gaan. Ik ben gelukkig, blij, dwaas.
Morgenavond ga ik de studiezaal in, weer doordrenkt van het vaderlijk huis, en hard werken.

Vergeet je het geld niet dat je aan de jongen van de ziekenboeg moet geven.

Adieu, liefde, verheug je samen met papa over dit goede nieuws.

Charles.

  Inhoudsopgave    Volgende brief