Charles Baudelaire. Brieven aan zijn moeder. Brussel, 21 februari 1866

Charles Baudelaire 
Brieven aan zijn moeder. Gehele correspondentie

  
Vincent van Gogh. Baudelaire. Brieven aan zijn moeder. Vertalingen Vivienne Stringa

Vincent van Gogh. 1853–1890.

Zoom

Brussel, 21 februari 1866.

 

Lieve moeder,

    Eindelijk een brief die me goed doet. Je zegt dat je nu in één keer opgelucht bent over alles waar je je zorgen over maakte.
Dat is geweldig. Maar dat moet je me nog maar een aantal keren schrijven, je moet het me bevestigen, en met details er bij. Mijn hemel! Dat het maar voort mag duren!

    Wat mij aangaat, het gaat goed met me, behalve weer wat koorts gehad, en ik heb een constante zenuwpijn, net als in december. Ik ben verzwakt, ik ben stijf, ik ben verlegen en onhandig, dat is alles.

    Ja, ik ken het slechte nieuws. Ik heb net aan Ancelle geschreven dat ik hem smeekte dat hij zich nergens meer mee moest bemoeien. Maar wees gerust, ik heb hem dat heel delicaat verteld.
Hij heeft wel veel tijd om jou veel te vaak te schrijven, en mij schrijft hij niet vaak genoeg.

    De gebroeders Garnier hebben hem een brief geschreven en die heeft hij mij gegeven, en die zit vol met onjuistheden en stommiteiten. Het is overduidelijk dat Lemer de affaire zo stom en onhandig als maar mogelijk was heeft voorgedragen.
Ik had de brief van Ancelle en die van de heren Garnier aan Lécrivain laten zien. Hij was bij voorbaat al overtuigd van het succes, en hij zei tegen me: “Het is heel goed mogelijk dat Lemer met opzet heel onhandig deed, zodat de affaire afgeblazen werd en u gedwongen zou worden om u direct tot hem te moeten wenden.”

    Dat zou wel heel erg lelijk zijn. En Ancelle kan zich natuurlijk niet met tact en handigheid gedragen in dingen die volledig nieuw en onbekend voor hem zijn.
Ik betreur het dat hij net zo onbezonnen bij Dentu naar binnen is gestormd als hij bij de gebroeders Garnier had gedaan.
Ik moet hem daar echt mee laten ophouden. Dat wordt dan nóg een opgebrande uitgever voor mij, en dat wordt erg, want hij gaat natuurlijk Dentu inlichten over mijn niet-succes bij de heren Garnier, en alle zogenaamde bezwaren van Garnier doorvertellen alsof ze waar zijn.
Dentu gaat dat weer doorvertellen aan anderen, enzovoort.

    (Ik smeek je, hoor je het goed? Ik smeek je, ik bezweer je met klem om Ancelle niet te schrijven.
Jullie verbruiken veel te veel papier voor veronderstellingen van domeinen waar jullie geen enkel verstand van hebben.)

    Ik ga standvastig volhouden om de zaak in één keer voor te leggen. Lemer had gelijk toen hij zei: “Houd Les Fleurs du mal en Le Spleen de Paris niet apart van de rest.” Het schijnt dat Lemer heel wat raad gevraagd heeft aan Lécrivain over de commerciële waarde van de zaak, volgens hem.
Is dat niet raar! En is dat niet verdacht?

    Zodra ik kan ga ik naar Parijs. Ja, ik ken het verhaal van de bespottelijke conferentie van Deschanel.
De vaste verslaggever van Le Temps heeft dat op een luchthartig schertsende en charmante manier aangegeven. Maar een brief van Ancelle diende voor mij als een uitstekend commentaar.
Ik geloof dat die brave borst het met Deschanel eens is. Vergeet niet dat het heel waarschijnlijk is dat de mensen die nu die verzen applaudisseren  het boek negen jaar geleden monsterlijk en gestoord vonden.

    Er wordt gezegd (en ik denk dat tegenwoordig ook) dat de andere naties nog dommer zijn dan de Franse natie.
Dus, moet ik weer terug in Frankrijk gaan wonen, ondanks de domheid van dat land, of naar het hiernamaals vertrekken.

    Ik neem me voor om, als ik mijnheer Deschanel zie, hem te bedanken.
Ik wed dat hij niet eens ziet dat ik hem voor de gek houden zal.

Veel liefs en ik smeek je om nooit lange tijd niets over jezelf te vertellen.

Charles.

  Gehele correspondentie          Volgende brief