Charles Baudelaire aan Henri Fantin-Latour. Parijs, dinsdag 22 maart 1864.

Charles Baudelaire
CORRESPONDENTIE
Tweede deel volwassen periode

Vertalingen Vivienne Stringa.

 

AAN HENRI FANTIN-LATOUR
Parijs, dinsdag 22 maart 1864.

 

Geachte heer,

    Mijnheer Swinburne heeft een boek en zijn visitekaartje bij mij afgegeven.
Maar net als vorig jaar heeft hij vergeten zijn adres achter te laten, zodat ik niet weet waar ik naartoe moet schrijven om hem te bedanken.
Dat is wel een on-Engelse onvoorzichtigheid.

    Wilt u zo vriendelijk zijn om hem te zeggen dat ik het heel fijn zou vinden om zijn adres in Parijs te krijgen en hem zelf te gaan bedanken.
Vertel hem dan tegelijkertijd dat ik mijnheer Nadar al geruime tijd geleden had opgedragen hem een brief te geven die niet bij hem is afgegeven en die weer terug naar Parijs is gekomen.
Ik zie er geen nadelig effect in indien mijnheer Charles Swinburne een briefje naar Nadar stuurt om die brief terug te vragen.
Maar toch, als dit dat grote verwende kind zou kwetsen, dan moet mijnheer Swinburne dat maar niet doen. Dan zal ik zijn adres naar mijnheer Nadar laten sturen.

    Zonder u te raadplegen heb ik een aanbevelingsbrief naar Chennevières gestuurd om hem te verzoeken om uw schilderijen evenals die van Manet een goede plek te geven.
Ik denk dat ik daar goed aan gedaan heb.
Want, toen de dragers van Manet arriveerden, wilde Chennevières meteen de schilderijen zien.

Uw toegewijde,

Charles Baudelaire.

  Inhoudsopgave     Volgende brief