Charles Baudelaire aan Arsène Houssaye. Parijs, 15 mei 1862.

Charles Baudelaire
CORRESPONDENTIE
Tweede deel volwassen periode

Vertalingen Vivienne Stringa.

 

AAN ARSÈNE HOUSSAYE
Parijs, 15 mei 1862.

 

Beste Houssaye,

     Hoewel ik daarnet heel blij was geworden door u, omdat u een beslissende verklaring uitlokte, ben ik nu eigenlijk best geroerd om u mijn woorden schriftelijk te kennen te geven.
Als het u blieft, kunt u mijn brief de eer bewijzen haar te bewaren. U had het over veel dingen die mij niet aangaan, - bijvoorbeeld de ondankbaarheid van de jeugd, etc.

    Eén ding van al die dingen interesseert me wél, omdat dat een van onze vrienden betreft, namelijk Banville. Hij heeft me zelf verteld over uw ontevredenheid en om heel eerlijk te zijn: dat vind ik u onterecht van u.
Ik denk zelf dat hij bedoelde:
Elke leiding bij de Comédie-Française is niet bij machte om het goed te doen, omdat…(de reden maakt niet uit).”
En hij heeft niet gezegd:
“Er waren een heleboel slechte leidingen, en er is er maar één goede.”
Wat trouwens volkomen absurd zou zijn. Dus als Arsène Houssaye onkundig was geweest (wat niet eens gezegd is) was hij dat niet meer of minder dan iedere andere directeur die in een verwerpelijke organisatie verwikkeld zit.

    Nu wil ik het over mezelf hebben en de dingen die op mij betrekking hebben.

    U heeft me vanochtend uitgelokt een vriendschapsverklaring te doen die volstrekt overbodig is.
Het zou veel redelijker zijn geweest als u me een gelegenheid gegeven had om aardig tegen u te zijn.
Dat heb ik vaak gewenst, en het lot heeft me dat niet aangeboden. Nogmaals, ik verzoek u dit te geloven.

    Ik kom nu op de affaire Crépet, want ik zie dat het u zwaar op de lever ligt.
Al met al vind ik het terecht dat de besluiteloosheid van Crépet u gekwetst heeft. 
(Mijn eigen naam is ook bijna geschrapt geweest.)

    Wat is er nu gebeurd: toen Crépet, drie jaar geleden geloof ik, u deelgenoot maakte van zijn project, maakten we een lijst met namen.
Philoxène en ik, en Asselineau (Banville was er niet), wij maakten met zijn drieën een lijst met voorbereidingen voor de zestiende, zeventiende, achttiende en de negentiende eeuw. Boyer liet geen enkele naam weg.
U kent zijn verbazingwekkende geheugen. En dat was de reden, toen de moderne schrijvers aan bod kwamen, dat ik uw naam voorstelde, waarbij ik zei dat, omdat er zoveel aandacht geschonken werd aan vergeten dichters, we dan ook heel precies en  heel volledig moesten zijn voor de “École Romantique”.
Philoxène was het helemaal met mij eens.
Crépet wilde niets horen, en neem hem dat niet kwalijk.
Het is een hele goede jongen die nergens verstand van heeft en die juist omdat hij zo besluiteloos is, altijd wil tonen dat hij karakter heeft.

    Toch heb ik, voor het geval dat hij van gedachten veranderen zou, een artikel over u voorbereid, dat overigens nooit geaccepteerd zou zijn, niet meer dan mijn Hégésippe Moreau en mijn Auguste Barbier, die geweigerd zijn omdat zij enige kritiek bevatten.
Crépet die niets van u wilde weten zou tegen me gezegd hebben, als hij van gedachten veranderd was:
Wij kunnen niet een artikel drukken dat niet geheel en al gunstig is voor de geciteerde dichter.”

    Begrijpt u nu de bizarheid van dit alles? Philoxène en ik hebben ons verdedigd, Crépet heeft onze beweringen op zijn manier weerlegd, en sindsdien is hij van gedachten veranderd, wat hij onophoudelijk doet.

    Het is heel aannemelijk dat ik geen zakelijke relaties meer zal hebben met die brave jongen die ik wel graag mag, maar die me nu op de zenuwen werkt met zijn heen en weer gedoe, zijn verlegenheid, zijn vreselijke angsten om niet onafhankelijk te lijken.
Beloof me alleen wel dat u al deze bagatellen geheim houdt.

    Er is nog meer, waarde. In mijn geheugen zit nog de algemene toon van mijn artikel: ik sprak over het penetrante karakter van uw gedichten, over de eerste indrukken die ik kreeg toen ik ze las.
Ik drong aan op het melodisch karakter en de absolute oprechtheid van de toon.
Ik zei ook dat er een nauw verband bestaat tussen uw gedichten en enkele van uw eerste novellen.
Wat zelfs weer terugkomt is dat ik van uw gedichten durfde te zeggen wat ik, eigenlijk, van enkele andere gedichten en vooral van de mijne denk, namelijk dat al dollend en grapjes makend, ze zin gaven om ze te herschrijven, wat tegelijkertijd lovend en kritisch is.
En tenslotte klaagde ik over een heleboel kleine foutjes, een teveel aan bondigheid, een vorm van inspiratie die zogezegd steeds onderbroken werd, etc.

    Misschien dat ik hiermee in plaats van u te overtuigen u alleen maar meer beledig.
Maar ik verdedig me liever op mijn eigen manier.

    Laten we het hierbij maar laten, en beloof me, beste vriend, dat u het er niet meer over heeft met mij.
Ik beloof u in ieder geval dat ik me geen gelegenheid meer laat ontsnappen om aardig tegen u te zijn, want u bent net als heilige Thomas, en u houdt ervan uw vinger op de bewijzen te leggen.
Dat is dan (voor mij) de echte winst van de kleine crisis van vanochtend.

    Omdat we verschrikkelijk snel gepraat hebben, laat mij nu dan nogmaals zeggen wat ik al tegen u zei met betrekking tot mijn zaken:

    Ik ben vanochtend niet bij u gekomen om geld te vragen, ik hoef zelfs maar een klein bedragje voor het eind van de maand, om te kunnen vertrekken.

    Ik kwam om te zeggen, doe wat u kunt om een tijdje L’Artiste en La Presse vol te proppen met dingen van mij. Guys, Villemain, Mercier, Dandysme littéraire,Peinture didactique zijn uitstekende stukken. Les Poèmes en prose ook. Zo snel als u kunt.
Maar ik vraag u niet het onmogelijke.
Ik dacht – niet aardig – maar minder onaardig voor u te zijn door het over wissels te hebben.
Ik dacht dat ik u dan zodoende een makkelijke manier verschafte om mij van dienst te zijn.
U waarschuwt mij dat dit u problemen oplevert.
Verwerp dat idee dan maar, maar neem wel zoveel mogelijk stukken.

    Ik heb maar twee geldcrises te doorstaan, de ene aan het eind van deze maand, voordat ik wegga, en de andere 15 juli.
Het is toch wel mogelijk dat u, als ik mijn grootspakerige werk kan afmaken, mij daarna uit de penarie kan halen.

    Lees mijn Guys, zedenschilder. Dan zult u begrijpen waarom ik daar zoveel waarde aan hecht.

Tot binnenkort.

Uw toegewijde,

Ch. Baudelaire.

  Inhoudsopgave     Volgende brief