Baudelaire, correspondentie, aan Auguste Poulet-Malassis. Parijs, zaterdag 20 maart 1852.

Charles Baudelaire
CORRESPONDENTIE
eerste deel volwassen periode

Vertalingen Vivienne Stringa.

AAN AUGUSTE POULET-MALASSIS
Parijs, zaterdag 20 maart 1852.

 

Beste Malassis,

    Het is alweer een paar dagen geleden dat ik uw brief kreeg in het café Tabourey.
Maar door een opeenvolging van verplichte werkjes en duizend domme bezigheden kon ik u niet antwoorden.

    Met Champfleury, Christophe en Montégut gaat het heel goed.
– Champfleury schrijft nu voor La Revue de Paris.
Bij alle mensen die ik ken zit alleen maar individuele domheid en passie.
Niemand stemt er mee in om in de Providentiële invalshoek te gaan zitten.
U weet wel wat ik bedoel. De president heeft enigszins geslijmd bij de schrijvers door de belasting over de roman op te heffen.
Het Napoleontische socialisme
heeft zich gemanifesteerd door Renteconversie, en iedere dag VREEST men dat er decreet komt voor een kwart belasting op de collaterale erfenissen.
Maar goed, de president begreep dat door de vrijheid van spreken te geven over de beslaglegging op de bezittingen van de prinsen van Orléans hij zichzelf de mooiste rol toebedeelt.
Daarom worden ook alle stukken gedrukt, en alle brochures antwoorden op elkaar.
Er is ook sprake van dat het Ministerie van Binnenlandse Zaken de afdeling literaire zaken weer terugkrijgt, die onlangs samen waren gegaan met het Openbaar Onderwijs.
Enkele leden van de Société des gens de lettres hebben geklaagd over dat op elkaar persen van die docenten die trouwens vermomde Jezuïeten zijn die alles opeten wanneer er iets te eten valt.

    Ik ben er trouwens van overtuigd dat alle hatelijke aantekeningen en ideeën voor de Universiteit de president zullen vleien.
Daarom zou ik ook gaarne slechts twee partijen aanwezig zien, en ik haat dat pedante en hypocriete milieu dat mij in een kerker en op water en droog brood heeft gezet.
– Dit vermaakt me allemaal zeer. Maar ik ben vastbesloten om voortaan afzijdig te blijven van al die menselijke polemiek, en meer vastbesloten dan ooit om de verheven droom na te leven van de toepassing van het metafysische in de roman.
La Semaine théâtrale is onder ons gestorven. Het laatste nummer bevatte een heel goed artikel van Champfleury, literaire kritieken en twee gedichtstukken van mij, die niet zo slecht zijn.
– Ik heb bij Le Revue de Paris een groot artikel laten drukken over een groot Amerikaans schrijver. Maar ik ben bang dat de eerste keer ook mooi de laatste zal zijn.
Mijn artikel valt daarbij uit de toon
. Het eerste gedeelte is op 29 februari verschenen en het tweede gedeelte komt over tien dagen uit.
Dan staat er ook een novelle in van Champfleury.

    En toch had ik mooi gedroomd. Amic had tegen me gezegd dat hij uiteindelijk toch wel een groot tijdschrift wilde oprichten, en dat ik daar dan de directeur van mocht zijn.
– Ik heb hem mijn ideeën opgestuurd, maar het schijnt dat onze plannen (ik wilde dat Champfleury me zou helpen) te mooi waren.
Nu is hij helemaal bekoeld, en ik denk dat het zaakje niet doorgaat.

    U was dus mijn adres kwijt. Rue des Marais-su-temple 25. Maar ik zal daar nog maar tot het eind van de maand zijn, dan zal ik u mijn nieuwe adres wel opsturen.
– Adieu, en overtuig uzelf er net als ik van, dat de Filosofie steeds meer Alles is.

Charles Baudelaire.

  Inhoudsopgave     Volgende brief