Baudelaire, correspondentie, aan Mme Aupick. Parijs, tweede helft mei , 24 mei 1838.

Charles Baudelaire
CORRESPONDENTIE
Zijn jeugd

Vertalingen Vivienne Stringa.

AAN MADAME AUPICK
Parijs, tweede helft mei 1838.

 

17 jaar oud

     Ik mag zondag niet weg. Mijnheer Durozoir heeft me huisarrest gegeven en omdat ik er niet van gediend ben om een meester te smeken, heb ik me bij mijn lot neergelegd.
Ik weet niet of ik donderdag ook binnen moet blijven, en omdat je weggaat, moet ik je zo vaak mogelijk zien, en wil ik van de laatste momenten profiteren.
Dus mag je me komen opzoeken om me te troosten, er is niets dat me meer plezier kan doen.

Charles.

AAN MADAME AUPICK
Parijs, 24 mei 1838.

 

    Ik heb huisarrest tot nader order, van half een tot half twee. Het is een algemene straf, voor het hebben gemompeld tegen een meester. Maar waarschijnlijk zullen ze ons binnenkort vrijstelling geven.
Ik heb het je snel geschreven uit angst dat jij of papa zouden komen net op dat moment.

Alsjeblieft, vergeet die blauwe onderbroek niet, kleine kast in de eerste kamer.

Ik zal je waarschuwen zodra het huisarrest wordt opgeheven.

Ch. Baudelaire.

  Inhoudsopgave     Volgende brief